| Algemeen: | Kleine gele heidelibel, waarvan de mannetjes bijna volledig zwart worden. |
|---|---|
| Ogen: | |
| Kop: | |
| Poten: | Zwart. |
| Borststuk: | Zwarte band op de zijkant met 3 gele vlekjes. Borststuk van boven geel met zwarte driehoek, of geheel zwart. |
| Vleugels: | Pterostigmata zwart. Geen vlekken op de vleugels. |
| Achterlijf: | Geel tot bijna geheel zwart. |
| Vergelijk ook: | Witsnuitlibellen, Bloedrode Heidelibel. |
Algemene tot zeer algemene soort van heidevennen en hoogveen. Daarnaast soms bij laagveen en zelfs bij beken (Drentse Aa).
| Noord-Nederland: | Zeer algemeen op de zandgronden. |
|---|---|
| Nederland: | Algemeen |
| Vliegtijd: | augustus, september |
Veelal in beschutte lage begroeing als hei en grassen rond voortplantingswateren. Meest typische "heide"libel.l

Dit volledig zwarte mannetje is onmiskenbaar.

Bij dit volwassen mannetje is de tekening op het borststuk nog heel typerend.

Volwassen vrouwtje. De zwarte zijkant van het achterlijf, de tekening op het borststuk, de zwarte poten en pterostigma's zijn hier goed te zien.
Copula 1

Copula 2

Jong mannetje. De pterostigma's zijn nog niet uitgekleurd. Let ook op de tekening van de laatste achterlijfssegmenten.

Net uitgeslopen vrouwte, waarbij de pterostigma's nog wit zijn. Wel is duidelijk de zwarte driehoek boven op het borststuk te zien.

Oud vrouwtje. Net als bij andere heidelibellen heeft deze de neiging om wat meer van de kleur van het volwassen mannetje over te nemen.

Close-up van een volwassen vrouwtje.

Volwassen vrouwtje met duidelijke, grote en afstaande legboor.

Nog een oud vrouwtje.

Dit mannetje is halverwege het verkleuringsproces.

Nog een mannetje.

Oud vrouwtje. Het zwarte driehoekje op het borststuk is kenmerkend.

Nog ouder vrouwtje.

Volwassen mannetje.