| Algemeen: | |
|---|---|
| Snuit: | Bruinig tot grijzig, maar niet wit. |
| Poten: | |
| Borststuk: | I.h.a. bruin met lichte strepen. (Mannetjes van zuidelijke dieren soms geheel blauw.) |
| Vleugels: | Pterostigmata relatief lang, en geelachtig. Aantal voorrandsaders (antenodalen) groter dan 10. |
| Achterlijf: | Bij mannetjes geheel blauw berijpt. Bij vrouwtjes en jonge dieren met smalle lengtestreep, geflankeerd door stipjes. |
| Vergelijk ook: |
Verschilt van de Gewone Oeverlibel door de lichtbruine pterostigma's en de andere achterlijfstekening. Bij blauwe mannetjes is het achterste deel van het achterlijf veel minder zwart en beperkt tot S10, en hooguit S9. Vrouwtjes hebben 1 dunne middenstreep op het achterlijf i.p.v. 2 dikke zijbanden.
Lijkt vaak sterk op de Zuidelijke Oeverlibel. Voor verschillen zie aldaar.
N.B. Alle foto's zijn uit Sardinië van de zuidelijke ondersoort Orthetrum coerulescens anceps, die meer blauwe berijping heeft en lastiger van O.brunneum te onderscheiden is:
Zeldzame soort van kleine beekjes.
| Noord-Nederland: | Afwezig. |
|---|---|
| Nederland: | Zeldzaam in het zuiden en oosten. |
| Vliegtijd: | juli tot augustus |
Smalle ondiepe beekjes met kwel..
Volwassen man. Een noord-europees dier zal i.h.a. niet zoveel blauw op het borsstuk hebben.

Volwassen vrouw

Copula

Ander mannetje.

Nog een vrouwtje